De drie soorten
| Soort | Kenmerk | Richting van de oplossing |
|---|---|---|
| Optrekkend vocht | Vochtrand tot ongeveer een meter hoog, zoutuitbloei | Injecteren van een waterkering, bron van grondwater aanpakken |
| Doorslaand vocht | Natte plek volgt de regen, vaak op het zuidwesten | Voegwerk en scheuren herstellen, zo nodig impregneren |
| Condens | Vocht op koude plekken, vooral in de winter | Ventileren, isoleren, koudebruggen aanpakken |
| Lekkage | Lokaal, niet weersafhankelijk | Leiding of dakdetail opsporen |
Meten
Een oppervlaktemeter geeft een indicatie, maar meet alleen de buitenste millimeters. Voor onderscheid tussen condens en constructief vocht is een meting in de diepte of een monster nodig. Zoutuitbloei wijst vrijwel altijd op optrekkend vocht.
Kruipruimte
Een natte kruipruimte voert vocht af naar de vloer en de onderste gevelzone. Een bodemafsluiting met folie of schelpen en voldoende ventilatie via de roosters lost dat in de meeste gevallen op.
Volgorde
Vocht eerst, isolatie daarna. Isoleren van een vochtige constructie verplaatst het probleem en maakt de schade duurder, omdat de oorzaak dan achter een afwerking verdwijnt.
Koudebruggen
Een betonnen lateiboven een raam of een doorlopende vloerrand geleidt warmte naar buiten en is binnen kouder dan de rest van de muur. Op precies die plek slaat condens neer. Isoleren van de aansluiting is effectiever dan ventileren alleen.